Leeruitkomst en toetsing: Interprofessioneel samenwerken

Algemeen

De complexiteit van de zorg in Nederland neemt toe. Er is een groei zichtbaar in het aantal mensen met een chronische ziekte en comorbiditeit. Zorgvragers worden steeds mondiger en de beschikbaarheid van mantelzorgers neemt af (Van der Velden, Francke, & Batenburg, 2011). Als gevolg van een veranderende visie op gezondheid, van ‘ziekte en zorg’ naar ‘gezondheid en gedrag’, wordt ondersteuning van zelfmanagement van zorgvragers een steeds grotere taak in de zorg. Deze toename van complexiteit van ziekte (case complexity) en van zorgvragers (patiënt complexity) leidt tot meer vraag naar ketenzorg, waarin de verpleegkundige een belangrijk verbindingspersoon is tussen de zorgvrager en andere disciplines (Lambregts, Grotendorst, & van Merwijk, 2016). 

Dit betekent dat de verpleegkundige op basis van gelijkwaardigheid samenwerkt met de zorgvrager en zijn sociale netwerk. Gezondheidsbeleving en hoe mensen omgaan met hun gezondheid verschilt per zorgvrager. Mensen die hebben ervaren invloed te kunnen uitoefenen op hun gezondheidssituatie, kunnen in een volgende situatie gemakkelijker problemen aanpakken en zich meer open opstellen naar de geboden interventies dan mensen die deze ervaring niet hebben gehad (Burgt & Verhulst, 2018).

De complexiteit van de zorgvraag zorgt voor een veranderende aanpak. Als verpleegkundige red je het niet meer om alle zorg op je te nemen. Je zal moeten samenwerken met andere disciplines of sectoren om te kunnen voldoen aan deze vraag. Om de complexe zorg in zijn geheel in kaart te kunnen brengen heb je een model nodig die gebruikt kan worden door alle betrokken disciplines, bijvoorbeeld de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) (Organization & Organization, 2001). Met behulp van dit model kunnen problemen die de zorgvrager tegenkomt in een breed psychosociaal kader beschreven worden. 

Bij interprofessioneel samenwerken wordt er gestreefd naar een holistische aanpak, waarbij de mens centraal staat en niet langer de ziekte en waarbij wordt toegewerkt naar een gezamenlijk zorg- of ondersteuningsplan. Aangezien elk interprofessioneel team anders is samengesteld, te maken heeft met een andere context en zijn eigen specifieke kenmerken heeft, kan reflexiviteit – de mate waarin teams kunnen reflecteren op het eigen functioneren – worden gezien als basis voor verdere doorontwikkeling. Reflexiviteit hangt positief samen met team effectiviteit. Daarnaast is bekend dat team reflexiviteit een belangrijke voorspeller is voor innovatie. Meer recent beschrijft de Haan (2017) in zijn boek de volgende resultaten van teamreflectie: begrip en inzicht, combineren van uiteenlopende meningen en gezichtspunten en feedback voor alle teamleden vanuit alle niveaus.

Beschrijving

Je werkt samen met de zorgvrager, diens sociale omgeving, collega-verpleegkundigen en andere hulpverleners en instanties. Je neemt initiatief tot interprofessioneel samenwerken waarbij je als team integraal naar de patiënt kijkt, zowel wat betreft het opstellen en werken aan zorgdoelen (denk bijv. aan een multidisciplinair overleg, MDO), als het nadenken over en reflecteren op ethische aspecten van de zorgverlening (denk bijv. aan een moreel beraad). Je baseert je handelen hierbij op de principes van gezamenlijke besluitvorming en theorieën over teamsamenstelling, coaching, begeleiding en gespreksvoering, interprofessioneel samenwerken, samenwerkingsprocessen, organisatiekunde, ethiek en recht. Je toont hierbij leiderschap, waarborgt de continuïteit van zorg, stelt de juiste prioriteiten en zet de aanwezige deskundigheid op een effectieve manier in. Je begrijpt de onderliggende processen in de zorg, en kunt de expertise van de diverse betrokken disciplines benoemen. Je legt uit wat de meerwaarde is van deze manier van samenwerken (ten opzichte van bijvoorbeeld multidisciplinair samenwerken) voor de zorgvrager en de professional(s). Je kunt de visie van de organisatie/instelling op interprofessioneel samenwerken beschrijven en ontwikkelt hierin een eigen visie en handelt hiernaar.

Wat wil je zien:
Samenwerken, initiatief nemen, coördineren, regisseren, verantwoorden, prioriteren, waarborgen, uitleggen, ontwikkelen.
Welke opleidingsspecifieke competentie:
Samenwerkingspartner (S1, S2), Organisator (O1, O2), Zorgverlener (Z2).
Welk onderwerp:
Multidisciplinair samenwerken, gezamenlijke besluitvorming, professionele relatie, coördinatie van zorg, verpleegkundig leiderschap, deskundigheidsbevordering.
Welke standaarden:
Principes en gesprekstechnieken van gezamenlijke besluitvorming (onder andere choice talk, option talk, decision talk), vergadermodellen, communicatietheorieën, psychologie (onder andere interactiepatronen, coachen, samenwerkingsprocessen; groeps- en teamvorming, teamrollen, groepsdynamica), sociologie (onder andere. zorgorganisatie/systeem/verzekering, systeemtheoretische benadering, organisatiestructuren, maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in de zorg) recht (onder andere privacy en geheimhouding, curatele, mentorschap en bewindvoering) en ethische aspecten rond samenwerken.
HBO-niveau/reikwijdte:
NLQF6.
Aanbevolen leerhulpmiddelen:
  • Van Zaalen, Y., Mulderij, M., Deckers, S. (2020) Interprofessioneel communiceren in zorg en welzijn. Bussum: Coutinho. (ISBN: 978-90-469-0726-9).
  • Van Nistelrooij, I. (2017). Basisboek zorgethiek. Heeswijk: Abdij van Berne. (ISBN: 978-90-8972-004-7).
  • Adriaansen, M., & Peters, J. (Red.). (2018). Leiderschapsontwikkeling van verpleegkundigen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum. (ISBN: 978-90-368-2126-1).
EC:
10.

Toetsing en beoordeling

Toetsprocedure

Toetsvorm:
presentatie en aanvullend gesprek
Maximum aantal woorden/maximum minuten:
15 minuten presenteren + 10 minuten gesprek
Aantal beoordelaars:
1 (bij cijfer tussen 5 en 6 altijd twee)
Wijze van inschrijving:
Student schrijft zich voorafgaand aan het inleveren van de toets in voor de betreffende toets in OSIRIS
Wijze van inleveren:
De presentatie via Urkund inleverpunt op Blackboard
Beoordelingstermijn:
15 werkdagen
Cijfer:
Cijfer = 1+ ((gewogen som – 1) / 4) * 9.  De cesuurgrens ligt op 5,5.
Reparatiemogelijkheid bij herkansing:
Ja

Werkwijze

Je geeft een presentatie (met ondersteuning van een Powerpoint, Prezi o.i.d.), waarin je laat zien dat je interprofessioneel kan samenwerken rondom de zorg voor een zorgvrager. Je laat zien wat de meerwaarde is van de samenwerking met andere disciplines en/of sectoren voor de zorgvrager. Indien mogelijk kies je een zorgsituatie (casus) uit waarin ook een moreel dilemma speelt. Is dat niet het geval, dan kun je een andere situatie kiezen voor de uitvoering van een moreel beraad in de praktijk, waarvan je de uitkomsten en het proces daar naar toe, in de presentatie uitlegt.

In de presentatie laat je zien welke kaders er vanuit de instelling zijn waarbinnen jij werkt, wat je eigen ervaring is en wat je visie is op interprofessioneel samenwerken. Je visie kun je het beste aan het einde van je gehele opdracht nog eens bekijken of schrijven. Door de opgedane kennis en ervaring kun je je eigen visie ontwikkelen.

Je kiest een hoog-complexe casus waar meerdere disciplines nodig zijn en beargumenteert ook wat de meerwaarde is van samenwerking. De casus geef je weer in het ICF-model. Verdiep je daar eerst goed in. Vervolgens ga je na welke samenwerkingspartners nodig zijn en waarom. Wat is het gezamenlijk doel? Vergeet hierin niet de zorgvrager te betrekken (met behulp van Shared Decision Making)!!

Binnen deze zorgsituatie (casus) geef je concrete voorbeelden hoe jij verpleegkundig leiderschap hebt laten zien. Welke interventies heb je ingezet en waarom? Wat was het effect? Ook geef je concrete voorbeelden hoe jij de zorgsituatie hebt gecoördineerd om de continuïteit van zorg te waarborgen. Je verzamelt in de praktijk 360 graden feedback over je verpleegkundig leiderschap van minimaal 3 partners in de interprofessionele samenwerking. Maak van de gekregen feedback gebruik in je presentatie.

Het moreel beraad kun je in de praktijk organiseren aan de hand van je gekozen casus, maar het mag ook een andere casus zijn waarbij je betrokken bent. Er moet sprake zijn van een moreel dilemma. Als je een andere casus kiest, dan kost je dat iets meer tijd. Zorg er dan voor dat je de casus kort en bondig uitlegt en let er vooral op dat de essentiële zaken benoemt.

Ten slotte reflecteer je op je verpleegkundige leiderschapsrol. Het gaat er hierom niet wat je goed of fout doet en wat beter kan, maar dat je inzicht krijgt in je handelen en dat je van daaruit ook kunt ontwikkelen. Wat gebeurde er en wat deed, wilde, dacht, voelde je? En waar kwam dat vandaan en komt dat overeen met wat jij echt belangrijk vindt? Ga bij jezelf doorvragen en/of bespreek dit met anderen om meer inzicht in jezelf te krijgen.

Beoordelingsprocedure

  1. De beoordelaar checkt of aan alle voorwaardelijke criteria is voldaan. Indien aan 1 of meerdere voorwaarden niet voldaan wordt, wordt de opdracht beoordeeld met NVD en wordt deze niet verder nagekeken. De beoordelaar kan wel besluiten om formatieve feedback te geven.
  2. De ingeleverde presentatie wordt met een plagiaatprogramma gecontroleerd op plagiaat. Naast het plagiaatpercentage dient de beoordelaar de plagiaatrapportage in te zien om zich ervan te vergewissen dat er geen plagiaat is gepleegd. Indien plagiaat wordt vermoed wordt er een zaak aangemaakt bij de examencommissie. Plagiaat kan leiden tot uitsluiting van de toets en in ernstige gevallen zelf uitsluiting van de opleiding.
  3. Indien aan alle voorwaardelijke criteria wordt voldaan, wordt de opdracht verder nagekeken en voorzien van feedback. De beoordelaar kent aan ieder item een aantal punten toe op een 5-puntsschaal (1-5). Onder Succesindicatoren zijn aandachtspunten beschreven bij ieder item. De beoordelaar kiest het aantal punten (1-5) dat het beste van toepassing is op het item, zoals hieronder bij Toelichting scores verder wordt toegelicht. De beoordelaar geeft daarnaast feedback door aan te geven waar de student naar toe werkt, waar hij nu staat ten opzichte van het gewenste resultaat en hoe de student verder kan werken om het gewenste resultaat te bereiken).
  4. De beoordelaar berekent het eindcijfer aan de hand van de volgende formule: Cijfer = 1+ ((gewogen som – 1) / 4) * 9. De cesuurgrens ligt op 5,5.
  5. Indien de beoordeling tot een eindcijfer tussen 5 of 6 leidt, dan schakelt de verantwoordelijke examinator (eigenaar) een onafhankelijke tweede beoordelaar in. Na de beoordeling van de tweede beoordelaar vindt een afstemmingsoverleg plaats. Indien beide beoordelaars gezamenlijk niet tot een eenduidig eindcijfer kunnen komen wordt een derde beoordelaar aangevraagd bijj de verantwoordelijke examinator. Deze derde beoordelaar is inhoudelijk expert en past een marginale toetsing toe van de beoordeling door de eerste en tweede beoordelaar, op basis van kennis van de oordelen van de eerste en tweede beoordelaar en de onderbouwing daarvan. Het oordeel van de derde beoordelaar is bindend.

Herkansing

Ook bij een herkansing dien je je in te schrijven in OSIRIS. Bij een eventuele herkansing heb je eenmaal de mogelijkheid tot het verbeteren/aanvullen van je presentatie afhankelijk van de gegeven feedback. Bij een eventuele tweede herkansing dien je een nieuwe casus uit te werken, wat ook betekent een nieuwe presentatie.

Indien je een toets van het vorige studiejaar moet herkansen geldt, in overeenstemming met de Onderwijs- en Examenregeling (art 3.5 lid 1.e) dat je moet uitgaan van een nieuwe leeruitkomst- en toetsbeschrijving. Je kunt met de betreffende docent van de leeruitkomst overleggen over de wijzigingen die daarin zijn aangebracht ten opzichte van de gelegenheden eraan voorafgaand. Dit betekent dat de herkansing wordt nagekeken volgens het dan geldende beoordelingsformulier. Deze formulieren vind je op de Blackboard pagina van de leeruitkomst van het huidige studiejaar.

Toelichting scores

5: Criterium bevat ruimschoots alle essentiële informatie, voldoet ruimschoots aan de beschrijving. De uitwerking stijgt duidelijk uit boven het niveau dat van een beginnend beroepsbeoefenaar verwacht mag worden. De uitwerking bevat diepgaande analyse/argumentatie/onderbouwing, en is consistent en logisch uiteengezet in samenhang met de andere onderdelen.

4: Bevat alle essentiële informatie, voldoet ruimschoots aan de beschrijving. De uitwerking is op of boven het niveau van beginnend beroepsbeoefenaar, analyse/argumentatie en onderbouwing bevatten ruim voldoende diepgang. De uitwerking is consistent en logisch.

3: Bevat alle essentiële informatie, voldoet grotendeels aan de beschrijving. De uitwerking is op niveau van een beginnen beroepsbeoefenaar Analyse/argumentatie/onderbouwing bevatten geen onjuistheden maar kunnen diepgaander/logischer uiteengezet worden.

2: Het onderdeel voldoet niet volledig aan de beschrijving. De uitwerking bevat kleine omissies van informatie en/of onjuistheden in onderliggende concepten/analyse/argumentatie/onderbouwing.

1: Het onderdeel voldoet niet aan de beschrijving. Belangrijke informatie ontbreekt (grote omissies), en/of er zijn grote onjuistheden met betrekking tot onderliggende concepten/analyses/argumentatie/onderbouwing.